ZONAG 15 MAART


EERSTE LEZING: EXODUS 17, 1-7
Jahwe sprak tot Mozes:  Zeg aan Aäron en zijn zonen en aan alle Israëlieten: Dit beveelt Jahwe:  Wanneer een Israëliet in of buiten het kamp een rund, een schaap of een geit slacht  en het dier niet naar de ingang van de tent der samenkomst brengt om het voor de woning van Jahwe als offergave aan hem aan te bieden, wordt hem dat als bloedschuld aangerekend. Hij heeft bloed vergoten; hij wordt uit zijn volk verwijderd.  De Israëlieten mogen hun slachtoffers niet opdragen op elke willekeurige plek; zij moeten de offerdieren bij de priester brengen, bij de ingang van de tent der samenkomst, om ze daar als slachtoffers aan Jahwe op te dragen.  De priester sprenkelt het bloed bij de ingang van de tent der samenkomst op het altaar en doet het in rook opgaan als een geurige gave die Jahwe behaagt.  Zij mogen niet langer slachtoffers opdragen aan de saters, die zij ontuchtig achterna lopen. Dit is een blijvend voorschrift voor hen, al hun geslachten door. 


EVANGELIE JOHANNES 4,1-42
Zodra de Heer te weten kwam dat de Farizeeën vernomen hadden dat Hij meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes, –  hoewel Jezus niet zelf doopte, maar zijn leerlingen –,  verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea.  Hij moest door Samaria en  kwam zo aan een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.  Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid van de tocht ging Jezus zomaar bij deze bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur.  Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar: “Geef Mij te drinken.”  De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen.  De Samaritaanse zei tot Hem: “Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?” Joden onderhouden namelijk geen betrekkingen met de Samaritanen.  Jezus gaf haar ten antwoord: “Als ge enig begrip had van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.”  Daarop zei de vrouw tot Hem: “Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep; waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?  Zijt ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?”  Jezus antwoordde haar: “Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst,  14maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.”  Hierop zei de vrouw tot Hem: “Heer geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en niet meer hier behoef te komen om te putten.”  Jezus zei haar: “Ga uw man roepen en kom dan hier terug.”  “Ik heb geen man,” antwoordde de vrouw. Jezus zei haar: “Dat zegt ge terecht: ik heb geen man;  want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet. Wat dit betreft hebt ge de waarheid gesproken.”  “Heer”, zei de vrouw, “ik zie dat Gij een profeet zijt.  Onze vaderen aanbaden op die berg daar, en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.” “Geloof Mij, vrouw,” zei Jezus haar, “er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.  Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt.  Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden.  God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”  De vrouw zei Hem: “Ik weet dat de Messias (dat wil zeggen: de Gezalfde) komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen.”  26Jezus zei haar: “Dat ben Ik, die met u spreek.”  Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug en stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw. Geen van hen echter vroeg: “Wat wilt Ge van haar?” of “Waarom praat Gij met haar?”  De vrouw liet haar waterkruik in de steek, liep naar de stad terug en zei tot de mensen:  “Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! Zou Hij soms de Messias zijn?”  Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.  Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden: “Eet toch iets, Rabbi.”  Maar Hij zei hun: “Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.”  De leerlingen zeiden tot elkaar: “Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?”  3aarop zei Jezus hun: “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen.  Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Welnu, Ik zeg u: slaat uw ogen op en kijkt naar de velden; ze staan wit, rijp voor de oogst.  Reeds krijgt de maaier zijn loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat zaaier en maaier zich samen verheugen.  Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait.  Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.”  Vele Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw die getuigde: “Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.”  Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen  en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof.  Tot de vrouw zeiden ze: “Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.” 

PREEK

Je leest het zo makkelijk: ‘het volk had dorst en werd opstandig...’ Je laat je gewillig meevoeren met het waardeoordeel van de verteller dat zegt: ‘het volk zeurt’. Ze hadden toch keer op keer ervaren dat, als de nood het hoogst was, de redding nabij was. God en Mozes waren toch betrouwbare gidsen. 
Maar stel je voor. Onze hersenen bestaan voor 90% uit water. Dorstige mensen verliezen concentratie en denken niet meer scherp. Mond, keel en neus verdrogen en beschermen het lichaam niet meer goed tegen bacteriën en virussen; verstopping, hoofdpijn, duizeligheid, gewrichtspijn, verhoogde hartslag... Huid en nieren lijden eronder. Slapeloosheid, depressies, angsten. Dat leidt tot een shock en zelfs coma. De schade aan het lichaam is enorm.
Maar voor ons is het een luxe probleem. Schoon water komt onbeperkt uit de kraan. Hooguit ouderen hebben soms het probleem dat dorst kan aanvoelen als honger en dat ze te weinig drinken en teveel eten. 
In de buurt van Kades, de grote oase, breekt rebellie uit. Het gebrek aan water eist zijn tol. De plek werd genoemd ‘Massa en Merida’, wat betekent: ‘Op de proef gesteld en in opstand gekomen. En, reken maar, als wij daarbij waren geweest, hadden we allemaal wel zeker tot die opstandigen behoort! 
Een kwart van de wereldbevolking woont in gebieden waar water schaars is. Volgende zondag is het voor de twaalfde keer ‘Wereld Water Dag’. De Verenigde Naties vragen aandacht voor goed en genoeg water. Een gemiddeld 2-persoonshuishouden gebruikt bijna 100 duizend liter drinkwater per jaar. Driekwart is nodig om te douchen, voor de wasmachine en het toilet. Slechts enkele procenten zijn nodig voor het eten en om te drinken!  In ontwikkelingslanden heeft 20% niet genoeg veilig water ter beschikking en in de sloppenwijken wordt 5 tot 10 keer zoveel voor het water betaald dan bij ons. 
Gelukkig had Mozes bij zijn schoonvader de geheimen van de woestijn leren kennen. Hij slaat water uit de rotsen. Misschien gebruikte hij zijn stok als wichelroede! 
 
In het evangelie wordt een vertrouwd beeld geschetst. Beneden, aan de rand van een dorp is een waterput. Woonplaatsen ontwikkelden zich rond een put of een bron. Het was de taak van vrouwen en kinderen om daar het water omhoog te halen. Dat gebeurde in de ochtend als de zon nog niet zo heet was; het moest nog bergopwaarts gesjouwd worden. Jezus wil een middagpauze maken in Sichar, een Samaritaans dorp, bij de zogeheten Jacobsbron. We zitten hier bij de wieg van Israël. Hier vlakbij, in Sichem, had Abraham bij aankomst in Kanaän een altaar opgericht voor zijn God. Later had hij er een stuk grond gekocht en aan zijn zoon Jozef geschonken. De bron was diep, wel twintig meter. Het water was koel. Het kwam van de nabij gelegen berg Gerizim. Op die berg lag het heiligdom dat de inwoners van Samaria hadden opgericht, zeer tegen de zin van de Joden in Jeruzalem. Hier gaat Jezus zitten. De zon staat hoog aan de hemel. Er is niemand te zien. Eén vrouw is er. Ze wil kennelijk de grote drukte bij de bron ontlopen. Later wordt ook duidelijk waarom. Ze heeft vijf mannen gehad en nu woont ze met nog een ander samen. Ze is een toonbeeld van ontrouw. Precies zo ontrouw – volgens de vrome Joden – als de Samaritanen zelf.
 
De evangelist Johannes vertelt zijn verhaal een halve eeuw na Marcus, Lukas en Matteüs. Hij wil niet nog eens vertellen wat er gebeurd is, maar hij schrijft theologie. Hij doet het – naar goed Joodse traditie – in de vorm van verhalen. Als Johannes schrijft is de tempel in Jeruzalem al lang vernietigd. Joden kunnen geen eredienst meer bedrijven. Er zijn geen priesters meer. Daarmee is eigenlijk de voornaamste reden van de vijandschap tussen Samaria en Juda verdwenen, maar de haat natuurlijk nog lang niet. Dus hier, bij de wieg van het Jodendom, onder de Gerizim en ver van de Sionsberg, hier wordt Jezus zelf gepresenteerd als de nieuwe tempel. Hij is de bron die Jakob heeft nagelaten.
Wat hebben we aan deze verhalen? Op de eerste plaats: we mogen dankbaar zijn omdat we meer dan genoeg veilig drinkwater hebben. Geniet ervan en verspil het niet! En laten we omzien naar mensen die niet genoeg water hebben om hun kinderen en hun vee behoorlijk te voeden. En op de tweede plaats: Er is iets in het leven, dat nog belangrijker is dan water en brood. Dat is Gods woord. Gewoon gezegd: dat is de liefde – de eerbied voor elk mens, ook voor de gestrande vluchteling in Griekenland. De leerlingen verbazen zich erover dat Jezus zit te praten met een vrouw, en nog wel een Samaritaanse, maar juist in die ontmoeting komt iets van Gods koninkrijk aan het licht. Een eeuwenoud wantrouwen smelt weg!
 
Lieve kinderen. ‘Je moet flink water drinken’, zei pappa tegen Harold. ‘Geen fris maar water! Mensen en dieren hebben veel water nodig.’ Harold keek zijn vader wantrouwig aan. ‘Helemaal niet. Mij konijn drinkt zijn flesje niet eens uit.’ ‘Dat is bij elk dier verschillend. Een groot mens heeft anderhalve liter per dag nodig. Minstens!’, zei pappa. ‘De hond van Ludo drinkt wel 2 liter, wist Harold.’ ‘Een muisje heeft aan ‘n lepeltje genoeg’, voegde pappa eraan toe. ‘Maar een paard kan wel 40 liter drinken.’  Harold vond het interessant maar hij wilde pappa toch te slim af zijn. Daarom vroeg hij: ‘Weet je ook welk dier water het aller hardste nodig heeft? ‘Ja’, zei pappa, ‘een melkkoe, die heeft in de zomer wel 150 liter nodig; dat zijn 35 emmers!’ ‘Fout’, riep Harald opgewonden. ‘Wie niet zonder water kunnen, dat zijn de vissen!’ ‘Drink jij nou meer eerst je glas leeg, wijsneus!’