OVERWEGING 4DE ZONDAG 40-DAGENTIJD (2de Coronazondag)


EERSTE LEZING
1 Samuel 16,6-13
Toen zij aankwamen, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: `Die daar voor Jahwe staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!'  Maar Jahwe zei tot Samuël: `Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar Jahwe naar het hart.'  Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuël voor, maar Samuël zei: `Ook hem heeft Jahwe niet uitverkoren.'  Toen stelde Isaï Samma voor, maar Samuël zei: `Ook hem heeft Jahwe niet uitverkoren.'  Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor, maar Samuël zei tot Isaï: `Geen van hen heeft Jahwe uitverkoren.'  Daarop vroeg hij aan Isaï: `Zijn dat al uw jongens?' Hij antwoordde: `Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.' Toen zei Samuël tot Isaï: `Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is.'  Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei Jahwe: `Hem moet gij zalven: hij is het.'  Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van Jahwe vaardig over David.
 
EVANGELIE
Johannes 9, 1-41
In het voorbijgaan zag Hij een man die blind was van zijn geboorte af.  Zijn leerlingen vroegen Hem: “Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?”  Jezus antwoordde: “Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.  Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken.  Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.”  Toen Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man  en zei tot hem: “Ga u wassen in de vijver van de Siloam,” – wat betekent: gezondene –. Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan.  Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden: “Is dat niet de man, die zat te bedelen?”  Sommigen zeiden: “Inderdaad, hij is het.” Anderen: “Neen, hij lijkt alleen maar op hem.” Hijzelf zei: “Ik ben het.”  Toen vroegen ze hem: “Hoe zijn dan uw ogen geopend?”  Hij antwoordde: “De man die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: Ga naar de Siloam en was u. Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.”  Ze vroegen hem toen: “Waar is die man?” Hij zei: “Ik weet het niet.”  Men bracht nu de man die blind geweest was bij de Farizeeën;  de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat.  Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkregen had. Hij zei hun: “Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.”  Toen zeiden sommige Farizeeën: “Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.” Anderen zeiden: “Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?” Zo was er verdeeldheid onder hen.  Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: “Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?” Hij antwoordde: “Het is een profeet.”  De Joden wilden niet van hem aannemen, dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had, eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen.  Zij stelden hun toen de vraag: “Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?”  Zijn ouders antwoordden: “Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren,  maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. Vraagt het hemzelf, hij is oud genoeg en zal zelf zijn woord wel doen.”  Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden hadden reeds afgesproken dat al wie Hem als Messias beleed uit de synagoge gebannen zou worden.  Daarom zeiden zijn ouders: “Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf.”  Voor de tweede maal riepen zij nu de man die blind was geweest bij zich en zeiden hem: “Geef eer aan God. Wij weten dat die man een zondaar is.”  Hij echter antwoordde: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet, Een ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie.”  Daarop vroegen zij hem wederom: “Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?”  Hij antwoordde: “Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het opnieuw horen. Wilt gij ook soms leerlingen van Hem worden?”  Toen zeiden zij smalend tot hem: “Jij bent een leerling van die man, wij zijn leerlingen van Mozes.  Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft maar van deze weten wij niet waar Hij vandaan is.”  De man gaf hun ten antwoord: “Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.  Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, dan luistert Hij naar zo iemand.  Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.  Als deze man niet van God kwam, had Hij zoiets nooit kunnen doen.”  Zij voegden hem toe: “In zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen?” Toen wierpen ze hem buiten.  Jezus vernam dat men hem buiten geworpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: “Gelooft ge in de Mensenzoon?”  36Hij antwoordde: “Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.”  Jezus zei hem: “Gij ziet Hem, het is Degene, die met u spreekt.”  Toen zei hij: “Ik geloof, Heer.” En hij wierp zich voor Hem neer.  En Jezus sprak: “Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden.”  Enkele Farizeeën die bij Hem stonden, hoorden dit en zeiden tot Hem: “Zijn ook wij soms blind?”  Jezus antwoordde: “Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde.” 


OVERWEGING
Vooroordelen zijn heel handig in het leven van elke dag. Ik denk dat ze bij ons bestaan horen. Dieren ontwikkelen ze ook. Er zijn ontroerende verhalen over honden die een weldaad van weleer nooit vergeten. En de ganzen van de vijver bij ‘t Brook beschouwden enkele jaren geleden elke voorbijganger als een potentiele vijand omdat ze door wat opgroeiende jongetjes waren geplaagd. Stel je voor dat je bij elke ontmoeting en bij elke onderneming eerst moest onderzoeken of het wel veilig is! Of de vrucht die je wilt eten, het water dat je wilt oversteken, de voorbijganger die je tegenkomt, of die wel te vertrouwen zijn... Een mens leert van zijn eerdere ervaringen en die bepalen de kaders waarbinnen hij zijn verdere leven laat afspelen. Bij sommigen liggen die marges heel ruim. Ze zijn wel ín voor een avontuurtje. Ze vinden het leuk om in de trein door een vreemdeling te worden aangesproken, ze beginnen een onbekende kat meteen te aaien, op een buitenlandse markt bijten ze graag in een onbekende vrucht en ze deinzen niet terug voor de meest verschrikkelijke achtbaan. Anderen hebben in het leven hardere lessen gehad. Ze stellen zich wantrouwend op als ze worden aangesproken op straat, en wat zij niet kennen, dat eten zij niet; als een bufffelachtige koe tijdens de zondagse wandeling op het voetpad staat de herkauwen,  dan keert hij veiligheidshalve liever om. Hoe dan ook, zekere vooroordelen hebben we allemaal en dat is heel handig.

.Het is handig, maar het beperkt ook ons leven. Waardevolle ontmoetingen, kostbare nieuwe ontdekkingen onthouden we onszelf. Door voor veilig te gaan, kan er nooit iets nieuws gebeuren. En in de tredmolen van alledag zijn het juist de onverwachte wendingen die het leven interessant en de moeite waard maken.
Neem nou Samuel. Samuel is profeet. Hij verdiept zich in de vraag wat de bedoeling van het leven eigenlijk is, en wat dat van ons vraagt. Israel worstelt op dat moment met de keuze of ze – net als de andere volkeren – een koning mogen aanstellen. Ze hebben hem nodig, want de vijand is machtig. De stammen moeten samen een leger gaan vormen en daarvoor is een sterke man nodig. Samuel gaat er een zoeken bij Isaï. ‘Jesse’ zeiden we vroeger. Isaï heeft acht zonen. Nette, intelligente jongens. De oudse lijkt direkt geschikt: groot rijzig, iemand die otnzag inboezemt. De eer komt hem toe. Die nemen we! Zo werkt een vooroordeel. Een grote sterke slimme man dwingt gezag af. Maar zo kijkt God niet, weet Samuel. De tweede zoon dan maar. Ook een sterke knul, had vaak van zijn oudere broer gewonnen; maar Samuel weet: ook Abinadab is niet de keuze van de Allerhoogste. Dan wordt hem Samma voorgesteld. Op een of andere manier weet Samuel dat hij in het huis van Isaï de koning moet zoeken. We zingen daar met kerstmis nog steeds over: ‘Er is een roos ontsprongen.’ Dat betekent: ‘Er is een “reis” ontsprongen, een “loot” aan de oude stam Jesse! Maar Samma is ‘m ook niet, en zo passeren alle zeven zonen de revue. Ze voldoen aan de gebruikelijke vooroordelen, maar ze stemmen niet overeen met de keuze van de Eeuwige. ‘Zijn dat al uw kinderen?’ ‘Nou ja, de jongste, een kind nog, die is buiten bij de schapen.’ Het kind wordt gehaald. Een buitenbeentje. Rood haar en zo jong dat hij nog bijna een meisje lijkt, de stem nog niet gebroken, de baard nog niet in de keel. Maar Samuel weet: hij wordt de nieuwe koning, want God kijkt niet zoals de mensen kijkt. Het volk van Israël zal het nog dikwijls beleven. Gods redding komt uit een onverwachte hoek. De steen die de bouwliezen al hadden weggesorteerd is hoeksteen geworden.

.God zoekt zijn weggen tussen onze vooroordelen door en langs onze ingebakken opinies. Van de blinde man dachten ze allemaal dat hij of zijn ouders gezondigd hadden. Anders was hij niet zo gestraft. Als de man op Jezus’ aanwijzing zich gewassen heeft in de vijver en weer kan zien. Nu vinden ze dat Jezus de sabbatswet heeft overtreden en gaan met de blinde naar de wetgeleerden. De ouders van de blindgeborene voelen zich gevangen door het wonder van de genezing en het vooroordeel van hun geloof..., maar God zoekt zijn weg tussen onze geijkte opvattingen door.
Soms denk ik: dat is maar goed ook! Mijn vooroordelen voorspellen weinig goeds voor de wereld, maar wie weet!

STOK
Lieve kinderen. Als Ronnie langs het hek van baas Clemens liep, dan ratelde hij met zijn stok langs de spijlen en dan rende de hond van Clemens, Boris, luid blaffend naar het hek. Ronnie stond dan te trillen op zijn benen en keek nog eens twee keer of het hek wel echt dicht was, maar hij voelde zich een dappere krijger en liep door naar school. Die ochtend had hij het nog eens extra hard gedaan omdat Annelies van de overkant van de straat naar hem stond te kijken. ‘Wat zielig’, had ze nog geroepen. Toen Ronnie terug uit school kwam, zag hij al uit de verte al dat het hek van baas Clemens open stond. Zijn hart begon te bonzen. In zijn ooghoeken zag hij Annelis aan de overkan schuin achter zich lopen. Hij durfde niet terug. Hij kneep de stok stevig vast in zijn vuist en ademde diep. Daar zag hij Clemens. Clemens had Boris aan de lijn. Dat was al een geluk. Ze kwamen dichter bij elkaar. Boris begon te trekken maar Clemens rukte hem terug. Toen Ronnie langs liep sprong Boris op hem af en begon zijn been te besnuffelen. ‘Ja’, zei Clemens, ‘jullie zijn dikke vriendjes. Boris is altijd erg blij als jij ‘s ochtends langs komt en hem begroet.’ Ronnie was opgelucht. Al de tijd dat hij Boris had lopen plagen, was Boris blij geweest met de aandacht die hij kreeg. Soms loopt het gelukkig anders dan je had bedoeld!