WEEKEND 15 NOVEMBER,
   33ste ZONDAG DOOR HET JAAR  
  

 

  DE MOED

  OM MACHTELOOS TE ZIJN

 

  


Lieve kinderen.
Op het bord van Noah lag de rand vol met struikjes broccoli,
snippertjes ui en stukje paprika. Mamma keek hem ernstig aan.
‘Het beste laat je liggen. De arme kinderen zouden er blij
mee geweest zijn.’
Het was niet de eerste keer
dat mamma met haar ‘arme kinderen’ aan kwam.
‘Waar zijn die arme kinderen dan?’, vroeg Noah.
'Van mij mogen ze alles hebben!’
‘Er zijn genoeg kinderen, ook bij jou op school,
die vanmiddag alleen maar een boterham pindakaas krijgen’,
zei mamma bits.
‘Lekker!’, riep Noah stoer. Maar hij schrok er toch van.
Kinderen in zijn klas?
‘Waarom zijn die dan arm?’
‘Nou misschien heeft de pappa geen werk en hebben ze vroeger
teveel geld geleend bij de bank...’
‘Hebben wij ook geleend bij de bank?’, wilde Noah weten.
Mamma was zo eerlijk om te zeggen:
‘Eigenlijk wel. Anders hadden we dit huis niet kunnen kopen.
Een paar kamers zijn van de bank.’
‘Welke?’, Noah schreeuwde bijna. ‘Toch niet die van mij?’
‘Misschien knul’.
Mamma wees op zijn bord.
‘En eet die broccoli en uitjes en paprika nu maar op,
dan ben jij zelf mamma’s arme kindje!’
Noah prikte voor de show enkele stukjes groente op zijn vork,
maar het meest liet hij liggen, dat begrijp je wel.

 




(Waarschijnlijk schreef Paulus de brief in het jaar 50 vanuit Korinte.De brief geldt als het oudste geschrift uit het Tweede Testament. Tessalonika was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonie. Paulus had de gemeente gesticht en wil ze nu bemoedigen en corrigeren.)
 
Paulus, in een brief aan de christenen in Tessalonica
Als het gaat over de komst van de Heer, zusters en broeders,
dan heeft het geen zin, u te schrijven over tijd en uur.  
U weet zelf heel goed dat de dag des Heren komt 
als een dief in de nacht.  
Terwijl zij zeggen: ‘Er heerst vrede en veiligheid’, 
juist dan overvalt hen plotseling het verderf 
zoals weeën een zwangere vrouw, 
en zij zullen niet ontsnappen.  
Maar gij leeft niet in de duisternis, 
zodat de dag u als een dief zou verrassen.  
Gij zijt allen kinderen van het licht, kinderen van de dag. 
Wij behoren niet aan nacht en duisternis.  
Laten wij dan ook niet slapen als de anderen, maar waken en nuchter zijn. 
 
 

EVANGELIE VOLGENS MATTEUS 25 
(De Statenvertaling (of Statenbijbel) is de eerste officiële Nederlandstalige Bijbelvertaling. Ze werd rechtstreeks uit het oorspronkelijke Hebreeuws, Aramees en Grieks werd vertaald in opdracht vav de Synode van Dordrecht in 1618.)
 
Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienstknechten riep, 
en gaf hun zijn goederen over.
En den ene gaf hij vijf talenten, en den ander twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen,
en verreisde terstond.
Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.
Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.
Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.
En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.
En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende:
Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest;
over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.
En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide:
Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht,
over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.
Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide:
Heer! ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt,
en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;
En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde;
zie, gij hebt het uwe.
Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht!
gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.
Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende,
zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.
Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.
Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben;
maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis;
daar zal wening zijn en knersing der tanden.
       


OVERWEGING




DE MOED OM MACHTELOOS TE ZIJN



DE DAG VAN...
Alles heeft zijn tijd....! Vandaag, 15 november, bijvoorbeeld is het de dag van de ‘gevangen genomen schrijvers.’
Aandacht wordt gevraagd voor schrijvers in dictatoriale landen.
Het is ook de internationale dag ter herdenking van verkeersslachtoffers.
Gister was het de dag van de ‘achterhoekse popmuziek’
en ‘de internationale dag tegen diabetes. Elke dag is er wel iets dat aandacht vraagt.
19 november is het wereld toiletdag - over de slechte hygiëne in veel landen.
21 november is het wereld-hallo-dag; we worden opgeroepen om minstens tien mensen te groeten.
De dag is ooit na de oorlog Egypte -Israël uitgeroepen in 1973.
Zo is er een tsunami dag. 10 november is de dag van de mantelzorg
en zo is er elke dag iets anders. 
Waarom zeg ik dit?

DAG VOOR DE ARMEN
In 2015 werd herdacht dat het Vaticaans Concilie 50 jaar geleden gehouden was.
De paus heeft toen een bijzonder ‘Heilig Jaar van de Barmhartigheid’ uitgeroepen.
Bij die gelegenheid heeft hij ‘de Werelddag voor de Armen’ ingesteld,
en wel op de 33ste zondag door het jaar – de week vóór Christus Koning.
De koning die de mensen zal komen beoordelen naar hun ‘werken van barmhartigheid’:
hebben ze hongerigen gevoed, vreemdelingen opgevangen en zieken en gevangenen bezocht?
De dag voor de armen moet ons inprenten dat omzien naar elkaar geen neveneffect van ons geloof is,
maar het hart ervan. Franciscus wijst erop dat onze aandacht voor de armste mensen dé manier is
om God te ontmoeten. Hij zegt erbij dat het niet gemakkelijk is.

BIJ EEN ZIEKBED
Ik herinner me een ernstig zieke vrouw. Haar levenseinde kwam in zicht. Ze vertelde me,
dat ze van sommige mensen niets meer hoorde. Collega’s van het werk bijvoorbeeld.
Een vriendin had na twee maanden gebeld en gevraagd hoe het ging. Daarop had ze gezegd:
‘vòlgende week, dàn kom ik langs..., eìnd volgende week.’
Daarop zei de zieke een beetje cynisch: ‘die dàt zeggen: “eínd volgende week” die komen nooit!’
Dat is geen onwil, het is ook geen liefdeloosheid, het is pure onmacht.
Wij weten geen raad met situaties waarin we onmachtig zijn.
Daarom zijn we geneigd die uit de weg te gaan. 

OP STRAAT
Ik zag eens een interview met een bedelaar die vaak aan de deur van Albert Hein had gestaan.
Hij wilde de winkelwagentjes van de klanten graag terugzetten in de rij om het statiegeld te innen.
De interviewer vroeg, of hij wel eens negatieve reacties kreeg. Zijn antwoord was:
‘Het akelige is, dat veel mensen me ontwijken; ze kijken me niet eens aan...’
Ik betrapte me erop dat ik die neiging ook had. Je voelt je immers machteloos.
Je geeft wel, of niet, een kleinigheid; maar je weet dat je zijn armoede er niet mee oplost.
En dat gevoel van machteloosheid is er vaak de oorzaak van, dat de pijn van de zieke,
de trauma’s van de vluchteling, de armoede van gezinnen in ons dorp,
en het lijden in de kampen aan de grenzen van Europa, niet gezien worden.
Of we verdringen het met de gedachte: ‘ze zijn het zelf schuld’, of ‘het zal zo’n vaart niet lopen.’
Dat is wat de paus bedoelt: het gaat niet allereerst om grote bedragen.
Het gaat allereerst om de ander te begroeten, als mens te erkennen
en met respect over hem te spreken. In hem en in haar treedt Christus ons immers tegemoet.

ONS TALENT
Jezus vertelde een verhaal. De grote baas is op reis. God lijkt ver weg.
Maar hij bestaat. Hij heeft ons de schepping toevertrouwd.
Jezus vergelijkt het met vijf, drie en één talent.
Talent, van het Griekse ‘tálanton’, is een bepaald gewicht. In Jezus’ tijd iets meer dan 34 kilo.
Het gaat om een bedrag van 34 kilo zilver, dat is tegen de huidige koers14,5 duizend euro.
In de Griekse oudheid zou je er waarschijnlijk 6000 drachmen voor krijgen.
Ruw geschat kon je daar een arbeider ’n jaar of vijftien mee in dienst nemen.
Dit grote bedrag staat voor wat God ons heeft toevertrouw.
En dat is dus niet de wiskundeknobbel van de beste van de klas,
het is niet een Europese beker voor de hoogste sopraan
of een vermelding in het Guinness Book of Records voor de hoogste sprong,
nee het staat voor ons vermogen om te lachen, te groeten, te huppelen, de lucht te ademenen,
een lied te zingen, de sterren te tellen... en, om een arme in de ogen te kijken,
een asielzoeker zijn verhaal te laten vertellen,
of zwijgend aan het bed van een zieke te zitten.
Het kruis van de anderen is ook ons kruis.
Dat is God ontmoeten.
Dat is woekeren met onze talenten.

 

VOORBEDE
Laten wij bidden voor mensen,
die het talent van hun bestaan angstvallig verbergen;
dat de genade hun ten deel mag vallen
van waardering en bemoediging... 
laat ons bidden...
 
Laten wij bidden voor onze kinderen;
dat zij hun zin in het leven niet verliezen,
dat zij zonder vals schuld en schaamte groot worden
in de ogen van ons en van God.... laat ons bidden...
 
Laten wij bidden voor ons allemaal,
dat wij woekeren met de tijd die ons gegeven is,
dat we hun dagen in dienst stellen van de liefde.... 
laat ons bidden...
 
Goede God, zo bidden wij om een woord van bemoediging.
Dat wij ons talent niet angstvallig begraven uit vrees voor uw oordeel.
Dat wij dankbaar om alles wat u ons schenkt,
als vrije mensen Uw Rijk van liefde en gerechtigheid zoeken,
Nu en tot in eeuwigheid.  
 


 


                                                                                   
           "Strek uw hand uit naar de arme"             
                                                                     
              


4e Werelddag van de Armen (33e Zondag door het Jaar - 15-11-2020)
 


“Strek uw hand uit naar de arme” 1 Oude wijsheid stelt deze woorden voor als een wet om in het leven te volgen. Zij weerklinken vandaag met heel hun betekenisvolle lading om ook ons te helpen de blik te richten op het wezenlijke en de grenzen van onverschilligheid te overwinnen. De armoede neemt steeds een ander gezicht aan, dat aandacht vraagt voor steeds verschillende situaties: in iedere situatie kunnen wij de Heer Jezus ontmoeten, die heeft geopenbaard dat Hij tegenwoordig is in zijn zwakste broeders en zusters.
 
Laten wij het boek Sirach, een van de boeken van het Oude Testament, ter hand nemen. Hier komen wij de woorden tegen van een meester in wijsheid die ongeveer tweehonderd jaar vóór Christus heeft geleefd. Hij ging op zoek naar de wijsheid die mensen beter maakt en hen in staat stelt de wederwaardigheden van het leven ten diepste te doorvorsen. Hij deed dit in een tijd van harde beproeving voor het volk Israël, een tijd van verdriet, rouw en ellende ten gevolge van de overheersing door vreemde machten. Omdat hij een man van groot geloof was, geworteld in de tradities van de vaderen, was zijn eerste gedachte zich te richten tot God om aan Hem de gave van de wijsheid te vragen. En de Heer weigerde hem zijn hulp niet.
 
Vanaf de eerste bladzijden van het boek Sirach geeft de auteur adviezen voor veel concrete situaties in het leven en één hiervan betreft de armoede. Hij benadrukt het feit dat men bij ongemak vertrouwen moet hebben in God: “Wind u niet op als de tegenspoed komt. Houd u aan Hem vast en laat Hem niet los: dan zult gij uiteindelijk verheven worden. Alles wat u overkomt moet ge aanvaarden: gij moet geduldig zijn in de wederwaardigheden die u vernederen. Want goud wordt in het vuur beproefd en de aan God welgevallige mens in de oven van de vernedering. Vertrouw op Hem en Hij zal u helpen; bewandel rechte wegen en stel uw hoop op Hem. Gij die de Heer vreest, verwacht zijn erbarming en wijkt niet af van de weg: gij zoudt kunnen vallen” (Sir. 2, 2-7).
 
Bladzijde na bladzijde ontdekken wij een kostbaar compendium van suggesties over hoe te handelen in het licht van een intieme relatie met God de schepper, die de schepping liefheeft, rechtvaardig en zorgzaam is jegens al zijn kinderen. Het voortdurend verwijzen naar God leidt echter niet af van het kijken naar de concrete mens, integendeel, dit is nauw met elkaar verbonden.
 
Dit laat de passage waaruit de titel van deze Boodschap is genomen 3 duidelijk zien. Het gebed tot God en de solidariteit met de armen en de lijdenden zijn niet van elkaar te scheiden. Om een eredienst te vieren die de Heer welgevallig is, is het noodzakelijk te erkennen dat iedere persoon, ook de meest behoeftige en verachte, het ingeprente beeld van God in zich draagt. Uit deze aandacht komt de gave van de goddelijke zegen voort, aangetrokken door edelmoedigheid, in praktijk gebracht ten opzichte van de armen. Daarom mag de tijd die aan het gebed moet worden gewijd, nooit een alibi worden om de naaste in moeilijkheden te verwaarlozen. Het tegengestelde is waar: de zegen van de Heer daalt over ons neer en het gebed bereikt zijn doel, wanneer zij gepaard gaan met de dienst aan de armen.
 
Hoe actueel is dit oude onderricht ook voor ons! Het Woord van God overstijgt immers ruimte, tijd, godsdiensten en culturen. De edelmoedigheid die de zwakke ondersteunt, de bedroefde troost, het lijden verlicht, geeft waardigheid terug aan wie daarvan is beroofd, is de voorwaarde voor een volledig menselijk leven. De keuze om aandacht aan de armen te besteden aan hun vele en verschillende behoeften, mag niet worden bepaald door de tijd die men ter beschikking heeft, of door privébelangen, noch door bloedeloze pastorale of maatschappelijke projecten. Men mag de kracht van de genade van God niet verstikken door de narcistische neiging zichzelf op de eerste plaats te laten komen.
 
De blik op de armen gericht houden is moeilijk, maar des te noodzakelijker om aan ons persoonlijk en maatschappelijk leven de juiste richting te geven. Het gaat er niet om veel woorden te gebruiken, maar veel meer om, aangezet door de goddelijke naastenliefde, je leven concreet in te zetten. Ieder jaar kom ik met de Werelddag van de armen terug op de werkelijkheid die wezenlijk is voor het leven van de Kerk, omdat de armen bij ons zijn en zullen zijn 4 om ons te helpen het gezelschap van Christus in het dagelijks bestaan te ontvangen.
 
De ontmoeting met een persoon in een situatie van armoede daagt ons altijd uit en stelt ons vragen. Hoe kunnen wij eraan bijdragen om aan zijn marginalisering en lijden een einde te maken of deze minstens te verlichten? Hoe kunnen wij hem helpen in zijn geestelijke nood? De christelijke gemeenschap is geroepen om bij deze ervaring van samen delen een rol te spelen, in het bewustzijn dat het niet geoorloofd is deze rol aan anderen te delegeren. En om de armen tot steun te zijn is het wezenlijk de evangelische armoede zelf te beleven. Wij kunnen ons niet “goed” voelen, wanneer een lid van de menselijke familie op de achtergrond in de schaduw verdwijnt. De stille kreet van zeer veel armen moet het volk van God aantreffen in de frontlinie, altijd en overal, om de armen een stem te geven, om hen te verdedigen en solidair met hen te zijn ten overstaan van hypocrisie en vele niet nagekomen beloften, en om hen uit te nodigen deel te nemen aan het leven van de gemeenschap.
 
De Kerk heeft weliswaar geen alles omvattende oplossingen te bieden, maar biedt met de genade van Christus haar getuigenis en gebaren van samen delen aan. Zij voelt zich bovendien verplicht de problemen voor het voetlicht te brengen van hen die niet het noodzakelijke hebben om van te leven. Om iedereen te herinneren aan de grote waarde van het gemeenschappelijk welzijn, is voor Christenen een verplichting voor het leven, die wordt gerealiseerd in het streven om niemand te vergeten van degenen wier menszijn wordt geschonden omdat niet aan hun basisbehoeften wordt voldaan
 
De hand uitstrekken laat vooral degene die dit doet, ontdekken dat wij het vermogen hebben om gebaren te maken die het leven zin geven. Hoeveel uitgestoken handen zien wij iedere dag! Helaas gebeurt het steeds vaker dat men door de haast wordt meegesleurd in een maalstroom van onverschilligheid, zodat men niet meer het vele goede weet te herkennen dat dagelijks in stilte en met grote edelmoedigheid wordt gedaan. Zo gebeurt het dat alleen wanneer er dingen gebeuren die de loop van ons leven op zijn kop zetten, wij in staat worden gesteld de goedheid gewaar te worden van de heiligen “in onze eigen omgeving”, “van hen die dicht bij ons leven en een weerspiegeling zijn van de aanwezigheid van God” 5, maar over wie niemand het heeft. In kranten, op internetsites en televisie zijn er zoveel slechte berichten in overvloed dat men zou denken dat het kwaad soeverein heerst. Dat is niet zo. Zeker, het ontbreekt niet aan boosaardigheid en geweld, aan machtsmisbruik en corruptie, maar het leven is vervlochten met daden van respect en edelmoedigheid die het kwaad niet alleen compenseren, maar ook stimuleren om verder te gaan en hoopvol te zijn.
 
De hand uitstrekken is een teken; een teken dat onmiddellijk herinnert aan nabijheid, aan solidariteit, aan liefde. Hoeveel uitgestoken handen hebben wij kunnen zien in deze maanden waarin de hele wereld als het ware overrompeld is door een virus dat verdriet en dood, moedeloosheid en verbijstering heeft gebracht! De uitgestoken hand van de arts die zich om elke patiënt bekommert en zoekt naar de juiste remedie. De uitgestoken hand van de verpleegster en de verpleger die veel langer dan hun eigenlijke dienstrooster de zieken blijven verzorgen. De uitgestoken hand van wie in het openbaar bestuur werkt en de middelen verschaft om zoveel mogelijk levens te redden. De uitgestoken hand van de apotheker die blootgesteld is aan zoveel verzoeken in een risicovol contact met de mensen. De uitgestoken hand van de priester die met een verscheurd hart de zegen geeft. De uitgestoken hand van de vrijwilliger die degene die op straat leeft, en allen die, ook al hebben ze een dak boven hun hoofd, niet te eten hebben, te hulp komt. De uitgestoken hand van mannen en vrouwen die werken om wezenlijke diensten en veiligheid te bieden. En wij zouden nog andere uitgestoken handen kunnen beschrijven en zo een litanie van goede werken kunnen samenstellen. Al deze handen hebben de besmetting en de angst getrotseerd om toch maar steun en troost te schenken.
 
Deze pandemie is onverwachts gekomen en heeft ons onvoorbereid aangetroffen, ons achterlatend met een gevoel van desoriëntatie en onmacht. De uitgestoken hand naar de arme is echter niet onverwachts gekomen. Zij getuigt er eerder van hoe men zich erop voorbereidt de arme te herkennen om hem in tijden van nood te ondersteunen. Men improviseert geen instrumenten van barmhartigheid. Er is een dagelijkse training nodig, die uitgaat van het bewustzijn hoezeer wij als eersten behoeften hebben aan een hand die naar ons wordt uitgestoken.
 
Het ogenblik dat wij nu meemaken, heeft een crisis in heel veel zekerheden veroorzaakt. Wij voelen ons armer en zwakker, omdat wij een grens aan en een beperking van de vrijheid hebben ervaren. Het verlies van werk, van de meest dierbare vormen van genegenheid, het gebrek aan de gewone contacten tussen personen, hebben plotseling horizonten wijd geopend die wij niet meer gewend waren te zien. Onze geestelijke en materiële rijkdommen zijn ter discussie gesteld en wij hebben ontdekt dat we angst hebben. Opgesloten in de stilte van onze huizen hebben wij opnieuw ontdekt hoe belangrijk de eenvoud is en hoe belangrijk oog te houden voor het wezenlijke. Wij hebben behoefte aan een nieuwe broederschap, die in staat is tot onderlinge hulp en wederzijdse achting. Dit is een gunstige tijd om “opnieuw te beseffen dat wij elkaar nodig hebben, dat wij een verantwoordelijkheid hebben jegens de ander en de wereld [...]. Wij hebben al te lang moreel verval geaccepteerd door een spelletje te spelen met ethiek, goedheid, geloof en eerlijkheid [...]. Deze verwoesting van het fundament van het maatschappelijk leven leidt ertoe dat wij tegenover elkaar komen te staan om de eigen belangen te verdedigen, veroorzaakt het opkomen van nieuwe vormen van geweld en wreedheid en verhindert de ontwikkeling van een ware cultuur van de zorg van het milieu.” 6 Kortom, de ernstige economische, financiële en politieke crises zullen niet ophouden, zolang wij toestaan dat de verantwoordelijkheid die ieder jegens de naaste en iedere persoon moet voelen, in winterslaap blijft
 
“Strek uw hand uit naar de arme” is dus een uitnodiging tot verantwoordelijkheid als directe inzet van wie zich ook maar deelgenoot voelt aan hetzelfde lot. Het is een aansporing om de lasten van de zwaksten op zich te nemen, zoals de heilige Paulus zegt: “Dient elkander door de liefde. Want de hele wet is vervat in dit éne woord: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’. [...] Help elkaar zulke lasten te dragen” (Gal. 5, 13-14)(Gal. 6, 2). De apostel leert dat de vrijheid die ons met de dood en de verrijzenis van Jezus Christus is geschonken, voor ieder van ons een verantwoordelijkheid is om zich ten dienste te stellen van de ander, vooral van de zwakste. Het betreft niet een facultatieve aansporing, maar een voorwaarde voor de authenticiteit van het geloof dat wij belijden.
 
Het boek Sirach komt ons weer te hulp: het doet concrete daden aan de hand om de zwaksten te ondersteunen en gebruikt ook enkele treffende beelden. Eerst neemt het de zwakheid in aanmerking van allen die bedroefd zijn: “Onttrek u niet aan hen die schreien” (Sir. 7, 34). De periode van de pandemie heeft ons genoodzaakt tot een gedwongen isolement en ons zelf verhinderd vrienden en bekenden die bedroefd zijn om het verlies van hun dierbaren, te troosten en nabij te zijn. En dan zegt de gewijde schrijver ook nog: “Wees niet onwillig om een zieke te bezoeken” (Sir. 7, 35). Wij hebben de onmogelijkheid ervaren om naast wie lijdt te staan en tegelijkertijd zijn wij ons bewust geworden van de broosheid van ons bestaan. Kortom, het Woord van God laat ons nooit met rust en blijft ons stimuleren tot het goede.
 
“Strek de hand uit naar de arme” brengt als tegenstelling de houding naar voren van al degenen die met de handen in hun zakken blijven staan en zich niet laten raken door de armoede, waaraan ook zij vaak medeschuldig zijn. Onverschilligheid en cynisme zijn hun dagelijks voedsel. Wat een verschil met betrekking tot de uitgestoken handen die wij hebben beschreven! Er zijn immers handen die zich uitstrekken om snel even via de computer sommen geld van de ene naar de andere kant van de wereld te verplaatsen en zo de rijkdom van beperkte elites en de ellende van massa’s en het faillissement van hele naties te bepalen. Er zijn handen die zich uitstrekken om geld op te hopen met de verkoop van wapens, die andere handen, ook die van kinderen, gebruiken om dood en armoede te zaaien. Er zijn handen die zich uitstrekken om in de schaduw dodelijke doses uit te wisselen om zich te verrijken en in luxe en vluchtige onmatigheid te leven. Er zijn handen die zich uitstrekken om onderhands illegale gunsten uit te wisselen voor een gemakkelijk en corrupt gewin. En er zijn ook handen die zich uitstrekken en met een hypocriet fatsoen wetten maken waar zij zichzelf niet aan houden.
 
In dit panorama “blijven de uitgeslotenen wachten. Om een levensstijl te kunnen onderhouden die velen uitsluit, of om warm te kunnen lopen voor dit egoïstisch ideaal, heeft zich een globalisering van de onverschilligheid ontwikkeld. Bijna zonder het te merken worden wij onbekwaam om medelijden te voelen ten overstaan van de smartelijke kreet van de ander, wij huilen niet meer ten overstaan van het drama van de ander en het interesseert ons ook niet meer zorg voor hen te dragen, alsof alles een verantwoordelijkheid was die ons vreemd is en ons niet toekomt” 7 Wij zullen niet tevreden kunnen zijn, zo lang als deze handen die dood zaaien, niet veranderd zullen zijn in instrumenten van gerechtigheid en vrede voor de hele wereld.
 
“Denk bij al uw woorden aan uw levenseinde” (Sir. 7, 36). Het is de uitdrukking waarmee de auteur van Sirach deze overweging afsluit. De tekst leent zich voor een dubbele interpretatie. De eerste onderstreept dat wij altijd het einde van ons bestaan voor ogen moeten houden. Ons de gemeenschappelijke lotsbestemming herinneren kan helpen om een leven te leiden in het teken van de aandacht voor wie het armst is en niet dezelfde mogelijkheden als wij heeft. Er bestaat ook een tweede interpretatie, die veeleer het doel, het doeleinde waarnaar ieder streeft, naar voren haalt. Het doel van ons leven is een project dat verwezenlijkt moet worden, en een weg die zonder moe te worden moet worden afgelegd. Welnu, het doel van al onze handelingen mag nooit iets anders zijn dan de liefde. Dit is het doeleinde waarnaar wij op weg zijn en niemand moet ons daarvan afhouden. Deze liefde is samen delen, toewijding en dienstbaarheid, maar begint bij de ontdekking dat wij het eerst worden bemind en gewekt worden tot de liefde. Dit doel verschijnt op het ogenblik dat het kind de glimlach van de moeder ontmoet en zich bemind weet om het feit dat het bestaat. Ook een glimlach die wij delen met de arme, is een bron van liefde en maakt het mogelijk in vreugde te leven. Moge de uitgestoken hand dan ook altijd verrijkt worden met de glimlach van iemand die bescheiden en behulpzaam blij is in de stijl van de leerlingen van Christus te leven.
 
Op deze weg van dagelijkse ontmoeting met de armen begeleidt ons de Moeder van God, die meer dan ieder ander de Moeder van de armen is. De Maagd Maria kent de moeilijkheden en het lijden van hen die gemarginaliseerd zijn van dichtbij, omdat zij zelf de Zoon van God in een stal het leven heeft geschonken. Door de dreiging van Herodes is zij met haar echtgenoot Jozef en de kleine Jezus naar een ander land gevlucht en de situatie van vluchtelingen heeft de heilige Familie enkele jaren gekenmerkt. Moge het gebed tot de Moeder van de armen deze geliefkoosde kinderen van haar en hen die hen dienen in de naam van Christus, verbinden. En moge het gebed de uitgestoken hand veranderen in een omarming van samen delen en hervonden broederschap.
 
Rome, Sint Jan van Lateranen, 13 juni 2020, liturgische gedachtenis van de heilige Antonius van Padua.
 
Franciscus
 
(Bron: https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/index.php?mi=600&doc=7898)